Nuttige ervaring delen

(16.11.2005) Hoe zorgen andere Europese landen voor de opvang van asielzoekers? Wat zijn de gelijkenissen en verschillen op het terrein? Dankzij internationale uitwisselingsprojecten kunnen mensen die dagdagelijks bezig zijn met asielopvang hun ervaringen met elkaar delen.


 

Eind oktober waren twee Nederlanders te gast in België, terwijl twee medewerkers van Fedasil naar Spanje en Noorwegen trokken.

 

Lieven van Peteghem, coördinator in het opvangcentrum van Kapellen, verbleef zowel een week in Madrid als in Sevilla. Hij bezocht er verschillende opvangcentra en asielorganisaties. “Er is alvast een groot verschil met België,” zegt Lieven.

 

“Asielzoekers mogen in Spanje na zes maanden werken. Vanaf dag één in het opvangcentrum staat alles in dat teken. Indien nodig leren ze Spaans of volgen ze bijvoorbeeld een metselcursus. Omdat ze iets hebben om naar uit te kijken, tonen ze veel respect voor het personeel en het opvangcentrum.”

 

“De zelfredzaamheid van asielzoekers staat centraal,” vervolgt Lieven. “De bewoners krijgen eenmaal te horen hoe hun advocaat bereiken en moeten zelf alle administratieve handelingen opvolgen.”

 

Agnieszka Sepiol, adjunct-directeur in het opvangcentrum van Pondrôme, trok twee weken naar Noorwegen. “Asielzoekers verblijven er eerst twee à drie maanden in een transitcentrum,” vertelt ze. “Daar gebeurt het eerste onderzoek. Nadien komen de asielzoekers terecht in een ‘gewoon’ opvangcentrum, waar ze financiële hulp krijgen. Dat maakt hen veel onafhankelijker dan in België. Ze kopen zelf hun voedsel en betalen voor medische zorg. De begeleiding van het personeel in de opvangcentra is dus ook minimier dan in België.”

 

“Een deel van de opvangcentra wordt beheerd door privé maatschappijen,” weet Agnieszka. “Ze moeten dus rendabel zijn. Voordeel voor de overheid is dat het zo makkelijker is om opvangcentra te openen of sluiten, afhankelijk van de toestroom van asielzoekers. Zo’n 25% van de werknemers in die centra zijn trouwens ex-asielzoekers.”

 

Motivatie

Karin en Wilma werken voor het Nederlandse Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Dat België een ingewikkeld land is, wisten ze al. Maar wat viel hen nog op? “Vooral de verscheidenheid aan opvangfaciliteiten,” zeggen ze. “In Nederland lijken de opvangcentra meer op elkaar. Voor de asielzoekers in België maakt het soms een heel verschil, afhankelijk van de opvangplaats waar ze terechtkomen.”

 

Beiden vinden ook dat Fedasil meer in de breedte werkt. “Zoals met de buurtinitiatieven. Asielzoekers die met buurtbewoners een potje koken of wedstrijden spelen tegen plaatselijke sportverenigingen, dat kennen we niet meer in Nederland. De buurtbewoners krijgen bij ons wel informatie, maar ze hebben geen contact met de asielzoekers. Dat was vroeger anders.”

 

Karin en Wilma waren alvast heel enthousiast over hun bezoek. “Je merkt dat de mensen met plezier werken en gemotiveerd zijn. Dat is in Nederland nu wel anders, door de sluiting van talrijke opvangcentra worden veel mensen ontslagen. Onze taken zijn ook meer afgebakend en zakelijk. Daardoor verliezen we spijtig genoeg heel wat aan creativiteit. Maar het belangrijkste blijft natuurlijk om te zorgen dat we een goede opvang bieden.”

 

 

 

Imprimer cette page