![]() |
|
|
|
OPVANG
|
1986-1993: De eerste opvangcentraIn oktober 1986 dreigden ocmw's uit het Brusselse om een honderdtal asielzoekers over te brengen naar de vier rijkste Belgische gemeenten. Zover kwam het nooit, maar de stunt kreeg wel veel mediabelangstelling. Als reactie daarop, besliste de regering om een eerste opvangcentrum te openen.
Even later ging het Klein Kasteeltje van start onder de politieke verantwoordelijkheid van staatssecretaris Miet Smet. Bedoeling was dat nieuwe asielzoekers er eerst materiële opvang zouden krijgen. En dat als hun asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard, ze financiële steun van een ocmw zouden krijgen. Dit systeem vormde gedurende twintig jaar de basis van de asielopvang. Al zou het in de praktijk soms heel wat anders verlopen.
De regering lanceerde toen ook het eerste spreidingsplan, waardoor asielzoekers beter verspreid moesten worden over de verschillende ocmw's. Terecht, want in 1986 waren 80% van alle asielzoekers verspreid over slechts negen ocmw's. Nadeel was dat dit spreidingsplan vrijwillig was, en dat de beoogde verandering op het terrein slechts heel traag op gang kwam.
Tussen 1987 en 1992 kon het Klein Kasteeltje slechts mondjesmaat nieuwe asielzoekers opnemen, al steeg de capaciteit van 300 naar 500 plaatsen. Een kwart van de nieuwe asielzoekers werd opgevangen in het Klein Kasteeltje, de anderen gingen nog altijd rechtstreeks naar de ocmw's. In 1990, na de val van de Berlijnse muur, was het aantal asielaanvragen toegenomen tot 13.000.
De situatie liep zodanig vast dat de overheid aan het Belgische Rode Kruis vroeg om crisisopvang te organiseren. Voor het eerst werd het opvangbeleid uitbesteed, in drie jaar tijd kwamen er veertien Rode Kruiscentra. Daarnaast besliste de overheid eind 1992 om zelf een nieuw opvangcentrum te openen, op de legerbasis van Florennes.
In 1993 was het hek van de dam, mede door de crisis in Bosnië kreeg België een recordaantal asielaanvragen van bijna 27.000.
|
||